Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET SCIIEVENINGSCHE STRAND.
'k Heb na tweemaal negen jaren.
Die ik sleet aan Maas en Y,
Wéér de pinkjes uit zien varen,
Toegereed ter visscberij;
'k Heb het strand van Scbeveningen,
Door zoo veel herinneringen
Heel Europa door vermaard,
Weêr met wellust aangestaard;
'k Liet er weêr herhaalde malen
l)e oogen langs die oevers dwalen
Als de zeegolf plegtig zweeg,
Of in bruising zwol en steeg.
Treffende natuurtooneelen,
Altijd wisslend, altijd schoon,
Mogten daar mijn hart weèr streelen,
Lang dit schouwspel ongeWoon.
'k Mögt in uw verrukking deelen.
Schotel, roemrijk Kunstenaac!
Toen ik u, in geestdrift, daar
Stoffe voor uw zeetafrcelen
Zaamlen zag langs duin en baar:
Vriend! ik zal bet nooit verget«n,
't Zalig uurtje, toen gesleten.
Heel de ziel in dichtervuur,
Bij dien rijkdom der natuur.
'k Heb met innig geestbehogen
Weèr dat grijze dorp beschouwd,
Als het dalend zonnegoud
Vonklend huppelde over 't zout