Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 542 —
Haar jammer breekt er menig hart.
Dat gaarne helpen zou;
En de arme deelt zijn bete broods
Met dees nog armer vrouw.
Maar let!... haar Zusters hand ontsluit
In 't morgenuur de spind'.
En strekt ze neêr op 't brood, dat zij
In steen veranderd vindt!
Zij voelt, en schrikt, en gilt, en 't bloed
Verstijft haar op dien stond;
En 't monster, naar waardij gestraft.
Stort zielloos op den grond.
Toen hing men achter 't Hoogaltaar,
In 't heilig kerkgebouw,
't Versteende brood, opdat elks oog
Er zich aan spieglen zou.
Wat straf een elk te duchten staat,
Die valsch van harte zweert.
Dat heeft in Hellinghausen toen
Dit wonderwerk geleerd.
j. ikdiebzej&l, j' .
eROOTSPRA^K.
Twee wissels, man! heb ik, terstond op mijn verlangen,
„In korten tijd van buis ontvangen." (hernam:
Zoo snoefde een Duitscher. — Zijn Gasconsche vriend
,Twee wissels? 't is wat schoons om daarvan op te halen!
, Ik zou er 't port niet van betalen
,Als ik de wissels bij geen riem gelijk bekwam.'