Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
21 —
Vergeefs had zij reeds leer op keer.
Bij de overmaat van smart,
Een toevliigt in den nood gezocht
Aan 't zusterlijke hart.
En hooger klom en feller neep
Gebrek en winterkou;
En dreigend greep de baud des doods
Waar hongrend kiud en vrouw.
l\og eenmaal drijft die vcege nood
Haar been uit de enge kluis;
En, bevend, wagglend, sleept zij zich
]\aar 't zusterlijke huis.
„Een aalmoes, Zuster! boor mijn beê!
„De hemel kent mijn' nood:
„Mija kindren hebben brood noch vuur,
,, Eu worstlen met deu dood.
„ Een aalmoes, Zuster!" kermt zij voort:
,, Ach boor de stem van 't bloed!
„Een bete broods, een weinig slechts
„ Van uwen overvloed I"
„„Ga benen, wijf!"" is H norsch bescheid.
Dat de arme Weduw kreeg:
„„Vergeefs dat beedlen aan mijn deur:
„„Mijn eigen spinde is leèg.""
„Dat 's God vertoornen. Zuster! ach!
„ Stuur me ongetroost niet heen."
„„Wel, als ik brood heb in mijn spind',
„„Dan worde er 't brood tot steen!""
Nu keert weêr, met verbrijzeld hart
En wanhoop op 't gelaat.
De droeve moeder naar haar kroost,
En weeklaagt langs de straat.