Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 20 —
DE twï:i: zusters.
HDSSTEBSCHE rE&ESBE.
Wat straf een elk te duchten staat,
Die valsch van harte zweert,
Dat heeft in Ilellinghausen eens
Een wonderwerk geleerd.
Daar leefde, in hoog en staat, een Vrouw \
Biet egade en gezin.
Wat zij zich >renschlijks droomen mogt,
Dat vloeide tot haar in.
Maar vrekkig in den overvloed.
En smachtend in 't genot.
Vergat zij Hem, dié-'t goede schenkt.
Vergat zij haren God.
Die God schrijft mededeelzaamheid
Den rijken voor als pligt;
En de englen teeknen hij Ilem aan
AVat elk van hen verrigt.
Haar Zuster, arme AVeduwvrouw,
Bewoonde 't zelfde vlek.
En leed er, niet een talrijk kroost.
Het nijpeudste gebrek.
Geen audre hulp, geen andre troost
Daalde op de ellendige af.
Dan de aalmoes, die de derenis
Haar al te karig gaf.