Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 19 —
Dat zagf de Glorie: opjjetoj^en
Blonk haar een fierheidstraan in de oog'en.
„ Heil!" riep zij: „ telgf vau 't brave Noord!
„Zoo mag ik 't, als op zilvren Lairen
,, De vlam weêrkaatst der krijgsffevaren
„En de ouderdom de jeugd nog spoort!
,, "Wien lauwergroen om ^t hoofd moog' zwieren,
„U zal mijn schoonste lauwer sieren!"
En Frankrijks trompen hrnllen weêr;
De slotmuur kraakt, de bressen gapen ...
Een kogel snort door 's Grijsaards slapen,
Hij valt — hij zwijmt op 't bed van eer —
De schoonste dood is zijn belooning:
Hij sneuvelt voor zijn Land en Koning I
1834. a. bocakrs.
MISREKETÏING.
Een rijkaard had gezwoegd, geschraapt
Sinds meer dan zesmaal negen jaren,
En menig hapje weggekaapt.
Waar honderden belust op waren.
Nog ééne duizend guldens slechts ontbrak
Aan 't geen hij won en wist te sparen
Om 't vol miljoen bijeen te garen.
Waartoe begeerte al vroeg den lust in hem ontstak ^
Om dezen zegen te verwerven
Resloot hij, zelfs 't noodwendigste te derven j
Maar zie! daar kwam de vrek te sterven.
Hoe bitter kreten toen zijne erven!
j-