Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— Ui —
Ën Loc luttel is 't ontvaugeu'
Voor ons onbeperkt verlangen! —
En wat goed ons toe koom vloeijeu,
Altijd schreeuwen wij om meer.
Zoudt gij denken
Dat fortuin genoeg kon schenken.
Stort' zij zelfs haar' horen leêg?
Zij ook 't hoogste lot gewonnen,
't Smachtend hart zoekt nieuwe bronucn.
Om verdubbeld uit te putten
Wat het boven maat reeds kreeg.
Geen verzaden
Aan den trek naar lauwerbladen
In 't gebied van kunst of krijg!
Altijd wordt te min geschonken: —
Is het brein van roemzucht dronken,
De eerzuil blijft te laag bij de aarde.
Schoon ze ook tot de wolken stijg'.
Zij Klorinde
De afgodes van haar' beminde.
Adem' bij alleen voor baar,
Strooij' hij zorglijk voor haar treedjes
Duizenden genoeglijkheedjes;
Altijd blijft er iets ontbreken.
Dat haar meer behaaglijk waar.
Keur van kleêren
Moog Arist' zijn ga vereeren;
Blink' ze ook uit in haren kring, —
't Oog gerigt naar hooger standen,
Waatren, onvoldaan, haar tanden
Naar het strikje, naar het kwikje,
Dat zij nog te min ontving.