Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 14 —
De Held vijst groot van uit zijn boeijen,
Zotf groot als bij er onder boog.
Hij grijpt het roer, beveelt de benden;
Hij doet het vaartuig loeven, wenden;
En 't bootsvolk pompt en hoost het droog.
De storm moog' buldren, 't onweer raatlen,
De stortvloed over 't vaartuig slaan;
Blijve aller hart door angst henepen.
Teil stuurt de kiel met vaste grepen,
Eu legt het op een rotspunt aan.
Bij 't vreeslijk vlammen van den bliksem.
Bespiedt hij de oevers om zich hee»;
En 't zeil nu ruimer bot gegeven.
Zwenkt hij met forsche vuist den steven.
En allen tuimelen dooreen.
Dit tijdstip is zijn toeleg gunstig:
Hij rijst — en vlugt op 't rotsig strand,
Doch rukt, in 't pijlsnel overspringen.
Van een der zwakke hm'eliugeii
Het schutters wapen uit de hand.
En daar men, iu den morgenschemer.
Den Held 't gebergf beklautren ziet,
Houdt Gesier, met kwaadaardig beven.
Ten loon een' buidel gouds geheven
Voor hem, die Teil ter neder schiet.
Men smakt op nieuw de riemen buiten.
En tobt, in 't slingTend want verward,
De kiel voort, die het strand weêr nadert;-
En Teil jaagt, mikkend in 't gebladert'.
Een pijl iu Gesiers eerloos hart.
1