Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 23 —
De lucLt wordt zwart; een dof gerommel
DruiscLt aan — verzwaart, en nadert meer;
De baren koken, schuimen, klotsen,
En van de hemelhooge rotsen
Stormt sneeuw en ijs op 't vaartuig neêr.
De zeilen gieren heen en weder.
En stuurloos slingert, zwalpt de kiel,
Door schuim en sneeuwjagt overdolven.
En hobbelt op den rug der golven ;
En de angst vermant der stoutsten ziel.
Maar geen, wien meer de nood doet sidilren.
Dan Gesier —geen zoo schuldig bier!
De roerpen is zijn vuist ontgleden;
Het klamme zweet gudst langs zijn leden^
En 't hart bonst luid door 't stormgetier.
Slechts ccn, die boven meer en wolken
De zielzucht opzendt in 't gebed!
Slechts één, die, krimpend in zijn kluister,
Naar God ziet, die in 't hacblijkst duister
Somtijds door wonderwerken redt!
En op dien éénen, zoo geteisterd.
Zoo wreed vertrapt door 't woest gebroed.
Vest zich de hoop der schepelingen.
Die hem tot bijstand smeeken, dringen.
Verzekerd van zijn kunde en moed!
Zelfs hij, die straks dc straf bepeinsde
Van Teil, stort wagglend voor bem neêr
Hij wil zijn' euvelmoed vergeten.
Schenkt hem de vrijheid, slaakt zijn koten,
En bidt, flat bij <le kiel J>e!icer'