Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 11 —
Dat jammrcn, minder nog dat momplen
Ontglipt aan Gesler's valkenblik.
Die stem des volks moog' bem getuigen,
Dat zich geen vrij gemoed laat buigen
Door 't schouwspel van geweld cn schrik.
De nacht moog' hem tot rusten nooden,
Geen slaap breekt in zijne oogleên aan.
Hij siddert dat ligt muitelingen
Zijn prooi den kerkerband ontwringen.
En weêr hem 't leven veeg ga staan.
Door dubble zorg en angst gefolterd.
Hijgt, smacht bij naar den dageraad;
Maar tergend blijft de nacht zich rekken:
De wroeging moet baar taak voltrekken
In 't hart, waar ze eens den klaauw in slaat.
De morgen schemert aan. Een bode
Daagt zijn vertrouwden fluks bijeen.
• Vond hij hen nog in 't dons gedoken,'
't Bevel, hun dringend toegesproken.
Spoort ijlings hen naar Gesier heen.
„ Niet langer is ons Teil hier veilig."
Zoo spreekt de Landvoogd: „Ik begeer
„Dat hij, het hoofd der Eedgenooten,
„ In Kusnach's burg worde opgesloten,
„Aan de eindgrens van 't Lucerner meer."
Men gaat. Een elk volvoert zijn pligten.
Men prest en takelt snel een schuit.
Bekwaam bet bobblend veld te bouwen;
Men schikt de zeilen, hecht de louwen.
En leest een keur van manschap uit.