Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
WIIiliEIfl TELI..
Wat hard bevel!... Rampzaalge vader!
Hoe kunt gij hier met vaste hand
Den pijl gewenschte rigting geren?...
Daar snort bij af..', de aansehouvrers beven...
En de Almagt redt uw huwlijkspand!
„Ha! zoo ik 't doel had misgeschoten,
„Eu 't hart mijns dierbren zoons doorboord,
„Een tweede pijl had dan bewezen,
„Wat hier een dwingland beeft te vreezen,
„Die vaders dwingt tot kindermoord!"
Zoo koen sprak Teil, toen bij den appel
■ Op 't hoofd trof van zijn' lieveling;
Maar Gesier had hij blijk gegeven.
Dat van een' aanslag op zijn leven
Het hart des Zwitsers zwanger ging.
„Vermeetle booswicht!" brulde Gesier:
Ik heb uw strafbre taal geboord.
„Ontwapen, soudenier! zijn handen,
„En sla en knel ze vast in banden,
„ En voort met hem ten kerker — voort!"
Daar sleuren 's Landvoogds wapenknechten
Den armen Teil gekneveld heen.
De mannen momplen die 't aanschouwen.
En uit het hart der teedre vrouwen
Borst luid gejammer en geween.