Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
IVytCHTBESPIEeELIlVO.
(gat van verre gevolgd.)
'tZij ik den nacht beschouw, omstuwd Tan vale schimmen,
Of wel in 't dagend oost den blijden dag zie klimmen.
Het vcrwenwisslend kleed der welige natuur
Toont immer aan mijn oog een godlijk Albestnnr!
Als 't aaklig duister voor den dageraad moet zwichten.
De morgenzon de kruin der bergen komt verlichten.
Dan toonen veld en bosch hun kleurenrijk livrij
En prijken in den dos van 't lagchend jaargetij';
Dan zien wij bloem bij bloem ia open' schoonheid pralen.
Het witte schaapje graast en dartelt in de dalen;
De barre steenrots heft zich in 't verschiet omhoog, (oog.
En 't zuiverst hemelsblaauw omwelft dit schoon voor 't
Doc^, spreidt de nacht op nieuw zijn afschrikwckkcDd
(duister,
Dan treurt natuur, in stilte, om haar' verdwenen luister.
En 't wilgenbosehjen, op zijn loovren anders prat.
Plengt tranen om de pracht, die 't bij den dag bezat.
Geen bloem, geen lentegroen doet zich meer op voor de
(oogen;
Geheel de schepping is als met een floers omtogen;
En echter merkt men steeds op 't lichtontberend land
De wonderteekens van een zeegnende Almagtshand.
Miljoenen starren, die in 't wijde luchtruim pralen,
Zien wij dan 't halve rond met zachter glans liestralen:
De zilvren Phebe vangt, in 't westen opgestaan,
In statige eenzaamheid een nieuwe nachtrcize aan.