Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 4 —
.„Mijn ramp, mijn Vaderlijke ramp,
(Dus zegt de vreemde gast.)
„5 Heeft, teedre vrouw, u 't hart ontroerd,
,„ Uw zacht gevoel verrast.
Heb dank voor zulk een derenis;
,„ Eu de alvoorziende God,
Zoo ge eenmaal blijde moeder wordt,
Behoede u voor mijn lot!
,„ Beproef, ó teedre, proef bet nooit,
,„ Hoe Oudrenboezem treurt
,„ Wanneer men uit bet ingewand
,„ Het hart voelt weggescheurd!'"—
„ Hemel! (roept zy) hemel ach I"
Een onmacht grijpt liaar aan.
Haar Maagd schiet tue, de Grijzaart schrikt.
Hoe zal het bier vergaan?
Men sprenkelt haar 't ontverfd gelaat
Met frisüh geschepte born;
Men houdt ze een vlascbwiek vlammend voor.
Met rookendc eikelkorn.
Zy gilt! verwilderd beft zy 't oog.
En slaat bet woest in 't rond;
Maar 't sluit zich door een krampstuip weer.
Met saamgeschroefden mond.
De tanden klepprcn op elka^.
Of klemmen stijf op één;
En 't lichaam, van zijne angst vermast,
Blijft roerloos als een steen. —
Nu klinkt de jachthoorn door de lucJit,
En 't davert aan de poort.
Die scliok hergeeft haar d'ademloclit:
Zv beeft ile s!em rrchoord.