Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
IVu zeeg ze op een' bemoslen stam.
Die naast de grafzerk lag.
'tWas of de hemel nader kwam.
En zij er binnen zag.
Zoo keert ze in 't eind' terug van 't veld,
Door zoet genot omringd.
En 't lied des nachtegaals verzcld.
Dat zielrust in haar zingt.
Sinds werd de reine vonk der deugd
Nooit in haar hart gcbluscht;
Geen dorrend blaadje stal haar vreugd.
Geen eenzaam graf haar rust.
Nu zag zij, zonder leed of smart,
Hoe 't aardsche bloempje dort.
Maar kweekte 't struikjen in haar hart.
Dat paradijsroos'wordt;
En als haar soms een jongeling \
Den prijs der schoonheid gaf.
En 't hart haar reeds aan
Dacht ze aan de Roos
, b. ibitir.
't poplen ving,
5 en 't Graf.
»E TIM-EEIiHV^BHOEnERSi.
Twee tweelingbroeders, die elkaar volmaakt geleken.
Bewoonden eenmaal deze streken;
De een kreeg een ziekte en stierf. — Een vriend zag d'an-
En sprak hem aldus aan: (drcn gaan,
„Getrouwe vriend! wien trof het noodlot ooit verwoeder
,, Dan u, met wien ik bitter ween!
„Maar zeg mij toch — ik ken u slecht uiteen —
„Zijt gij gestorven, of uw broeder?"
J. VAJ OOSIBBWIJK BBCIJir.