Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET CiBAF EIK DE ROOS.
De zon bescLeen der bergen top
Met stille majesteit.
En slorpte zaebt de tranen op,
Door d'oebtendstond geschreid.
Toen Gloris 't mollig dons verliet,
Door 't morgenuur bekoord,
En vrolijk luistrende, in 't verschiet
Het lied des leeuwriks hoort.
Lang door het schoon des morgenstonds
Aan 't zalig veld geboeid,
Ontdekt ze in 't einde een plekjen gronds.
Dat heel haar hart ontgloeit.
Een roos, altijd door haar bemind.
Bloeide aan een eenzaam graf;
Maar ieder adem van den wind
Nam 't roosje een blaadjen af.
De schoone Cloris zag dit aan:
Haar koontjes werden nat.
En telkens droop een heldre traan
Op 't afgevallen blad.
„Wat zijt gij," zucht ze, ,,sckoonLeidI toch7
„Een bloem, die ras verkwijnt.
„Eeu vlugtig zinnelijk bedrog,
„ Dat in een graf verdwijnt.
„Gij slechts, o deugd! houdt eeuwig stand,
„Wat om u heen vergaat;
„De hemel blijft uw vaderland,
„En God uw toeverlaat.
„Al groeit gij onder tranen op,
„Gij tiert het schoonst bij druk;
„Geen storm verwoest uw' bloezemknop:
„Hij rijpt tot waar geluk."