Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 125 —
Ligt heeft hij een failliet verhoed,
Want Piet is onhegrijplijk goed.
Ik hoor hij is aan lager walj
Dit zou van Piet mij spijten;
Maar hoe 't moog zijn, de wereld zal
Zich van deze uitspraak kwijten:
't Is naar, 't is op met d'armen bloed;
Maar 't is zijn schuld— hij was te goed.
1837. c. A. P. WEISSMAir DE TILLSZ.
ȣ miSIiUUTK AAXSPRAj&M.
De vierde Hendrik deed zijne intrede in Parijs.
De Magistraat, gedost in ceremoniekleeden,
Kwam hem plegtstatig tegentreden.
Tot zijn verwelkomst naar oudvaderlijke wijz'.
De president trad voor, om de aanspraak te beginnen.
„Toen Alexander," ving hij aan:
„ Besloten bad op reis te gaan
„Om Azie te overwinnen, (staan j
„Toen... toen,.." daar bleef hij spraakloos
Bezon zich, prevelde, om op nieuw weêr aan te vangen.
Maar ieder woord bleef aan zijn long en tanden hangen.
IVuving de Koning, boertend, aan:
„Toen Alexander heen zou gaan
„Om Azie te overwinnen,
,, Toen bad bij 't maal al binnen,
„En ik, ik heb nog niets genuttigd, dus, mijnbeer!
„ Geen jota van uw aanspraak meer;
5,'k Ontvang die naderhand van u wel eens geschreven ;
„Thans konden we ons ten disch begeven."
J. IMMBBZEEt, J'.