Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
r
— 115 — ^
Voor tucht en goede zeden;
En toch — men heeft er hem ontmoet —
Hij werd verleid.... Piet is te goed.
Zijn vrouw maalit werk van Laar toilet;
Ze is in 't verkwisten handig.
Dat hij die zucht haar niet belet,
Vindt menig onverstandig.
Maar wat zijn dierbare ega doet
Is Pieter wel... hij is zoo goed.
Zijn dierbaar kroost is woest van geest;
Schuwt oefning, tucht en orden.
Piet zegt: „zoo ben ik ook geweest;
„ Dat zal wel beter worden."
Hij weet toch, wat een kind al doet —
Hij 's vader.... en — wat al te goed.
Piet gunt aan alle mcnschen brood;
Geeft werk aan wie 't bcgeeren.
En komt een goede vriend in nood.
Hij weet die ramp te keeren.
't Is waar, zijn kas lijdt tegenspoed;
Hij wordt misleid.... bij is te goed.
Hij is geen waaghals: evenwel
Verloor hij in de effekten;
Wijl andren, bij dat windrig spel.
Zich met zijn fondsen dekten.
Men zcgts toen was hij regt verwoed;
Gelooft het niet! bij is te goed.
Hij 's eerlijk; nogtans heeft bij vaak
(Gelijk geruchten melden,)
Besteed, voor deze en gene zaak,
Aan hem vertrouwde gelden.