Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
DËCEÜIBER.
Hoe bar is December! — boe grimmig en guur!
Ontkleed en verkleumd zijn de boomen;
Het veld heeft geen bloemen; de hemel geen vuur;
Verstijfd liggen vlieten en stroomen;
De stormen misvormen al 't schoone der aard! —
En toch is December ons welkom en waard.
De kunst is ons vreemd- over spiegelglad ijs
Op vlerken van ijzer te snellen;
Een'briesschenden klepper, verhit op den prijs.
Bij 't klinken van rink'lende bellen
Te meunen; te rennen op sueeuwbaan of vloed.
En toch is December ons welkom en zoet.
Want als hij daar buiten den winterstaf zwaait.
Den wind door den schoorsteen doet fluiten;
De vensters met ijzige vlokken bezaait.
En pluimen penseelt op de ruiten.
Dan vinden bevrlnden in huislijken schoot
De zoetheid des levens vernieuwd cn vergroot.
Dan zomert het binnen bij beukstam en veen
En zonnige lampen vergai-en
Rondom de gezellige tafel ons heen, ^
Bij 't klinken van bekers en snaren;
Dan kwelen de kelen op streelenden toon:
„ Act I bleef het ons immer xoo zalig en schoon!"