Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 13 —
5,, Maar neen, geen koets omvangt my 't lijf,
,„Geen leden strek ik uit;
,„Zoo läng ik 't geen ik zoek, niet vind;
„, En 'k zoek — een dierbre spruit.'"—
„ Een spruit?" vraagt Ada, diep geroerd. —
,„Een dochter (zegt hy), ja!
„,En de eenige uit een zalige Echt;
» ,„Om wie ik zwerven ga.
,„ Reeds zwierde ik twee paar jaren lang
,„ Door zand en heiden om:
„,Mijn hair werd aan mijn slapen grijs,
,„Mijn kniën stram en krom.
,„Dan, dan eerst rust ik 't moede lijf,
„, En strek ik 't de koets,
,„Als God my 't kostlijk pand hergeeft,
,„De laatste hoop mijns bloeds.
,„ Dit zweer, dit houde ik."'— Ada zucht;
„Ach!" zegt zy, en verbleekt.
Thands kent zy hem die voor haar staat;
Wiens taal haar ziel doorsteekt.
Haar borst verkropt, en vindt geen lucht;
Haar tong is vastgeklemd;
En 't hoofd zinkt snikkend naar den schoot,
Die van heur tranen zwemt.
Zy twijfelt, hoe of Trat te doen?
, Wat taal is 't die bier voegt?
En hoe verbergt zy d'ijsbren schok
Waarvan haar boezem zwoegt?
Het lamplicht knapt, en flikkert op,
Als oogde 't naar haar om;
Maar zy verbergt zich 't aangezicht.
Én 't snorrend wiel wordt stom. —