Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Ik hoor, als zoet muziek, de golven om mij vloeijen;
Haar aanblik streelt mijn ziel, en de eindelooze Zee,
Nu zachtkens voortgestuwd, deelt mij haar kalmte meê.
Al mag mijn kortziend oog haar grenzen niet aanschouwen,
'k Verbeeld me aan de overzij' de vrolijkste landouwen.
En wat mijn bart hier wenscht, maar 'tzinlijkoog niet ziet.
Vertoont mij het geloof, en 't harte twijfelt niet.
Ik hlijve op d'Oceäan met diepe zielrust staren;
Ik volg zijn rolling, en verlies mij met zijn baren,
Eu zijn onmeetbaar vlak, zoo grensloos uitgebreid.
Wordt in mij voorgevoel van mijne onsterflijkheid.
a. FBIIH.
zoTtruERiinvo TKRZOEII.
Een hoefsmid, die een' man had neêrgelegd.
Werd tot de galg verwezen door 't geregt.
De boeren staken nu, bezorgd, de hoofden zamen: —
Wie zou hun paarden thans beslaan?
't Gebrek verhelpen aan gekraakte wagenraan?
Kortom, 't was met hun plaats gedaan.
Wanneer zij geen pardou voor hunnen smid bekwamen.
Allons; de stoute schoenen aan! —
Zij gaan en corps de regters spreken ;
Zij harangueren, krijten, smeeken;
Vergeefs! de misdaad schreeuwde luid:
Er moest volstrekt, naar regt en orden.
Ten zoen der wet gehangen worden;
De raven wachtten op haar' buit. (nen
„Wij hebben, sprak een boer, twee wevers hier, en kuu-
„ Er één van missen, kon 't geregt dus slechts vergunnen
Een klein remplacement van kop, —
Och, laat ons dan den smid eu hangt een' wever op!"
j. masRZEïL, J^