Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
'k Zie zoo veel werelden en zonnen, door één: Wordt!
Als weemlend stof door 't ruim der beemlen uitgestort.
Ik tel heur aantal niet, en tock zijn 't enkel sporen.
Dier duizend duizenden, voor mijn gezigt verloren.
Ik roep ondanks mij zelf: een naamloos Iets bestaat.
Dat al die wondren wrocht, dat ze allen gadeslaat!
Maar ijzing grijpt mij aan, en ruoft mijn denkvermogen.
DieGod wordt,hoe ik peins, steeds donki-er voor mij ne oogen.
Ik zie in 't eind' geen star, die me in 't verschiet meer blinkt.-
'k IJs van een Wezen weg, waarin mijn geest verzinkt. —
Oneindige! alles leeft en roert zich op uw wenken,
Maar ik ben zondaar, en ik moet U heilig denken.
Wat waar tGij voor mij n hart,door smet en schuld bezwaard.
Zoo Gij a in uw' Zoon niet nader hadt verklaard?
Een ijdel denkbeeld, dat van schrik mij weg deed beven.
Dat heel Natuur mij nooit voorwerpelijk kon geven;
Dat, voor mijn denkkracht beide en voor mijn hart te groot!
Bij allen woordenpraal mij koud liet als de dood!
Onschatbaar voorregt, aan het Christendom gegeven.
Zoo vaak miskend, en toch zoo troostrijk en verheven!
Het Christendom alleen vervult hier mijnen wensch.
En biedt mij 't reine Beeld der Godheid in een Mensch.
Nu daalt ge. Oneindige! in de menschheid tot mij neder,
'k Aanbid u in nw' Zoon, en vinde een rustpunt weder.
Al 'tonbesefbre wijkt; mijn hart vliegt naar omhoog.
En 't Beeld der Liefde staat in Jezus voor mijn oog.
In Hem kent nu mijn hart in U dc Levensader,
De oorspronkelijke Liefde, en een vergevend Vader;
£n 'k zie in Hem, verrukt door dankbre erkentenis.
Wat ooit van U te zien voor 't eindig wezen is.
Hij is mijn HeerenGod! 'k Vertrouw hem al mijn wegen.
En de eeuwigheid lacht mij in 't beeld des Hemels tegen.
Wat hiermijnlot moog zijn, wat na het graf mij beidt,
't Is zonder Hem, mij schrik, met Hem, mij zaligheid.
En nu, 'k voeldoor geen angst mij meer aand'oever boeijen.