Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
BESPIË&EI.IIIIC;
jtal% »e1w oever der zee.
Ontzaglijke Oceaan, waar 't oog geen einde aan ziet.
Daar golf op golf verschijnt, en golf op golf weer vliedt.
Die 'k nastaar, maar eerlang voor mij niet meer zie blinken.
Tot dat haar aantal mij bedwelmd in 't niet doet zinken!
'k Sta eenzaam aan uw strand, 'k zie niets dan u alleen.
AI wat me omringt, verdwijnt en zwiudelt om mij heên.
Alleen staat vreeslijk, met een' wolkennacht omtogen,
liet beeld der eeuwigheid verzinlijktvoor mijne oogen. —
o Eeuwigheid! wat kracht mijn geest aan u verkwist.
Gij blijft me een donker meir, dat grens en bodem mist,
Waar'toog geen rustpuntvindt,geen kenmerk ooit vergadert;
Dat stoorlous voortgolft, en toch nooit zijn' oever nadert.
Al hoopte ik rusteloos, door heel het tijdperk héén.
Miljoenen jaren op miljoenen steeds op één.
Ligt zou van 't maatloos tal mijn geest te rugge beven.
Maar' tzou van deEeu wigbeid ni ij ze I fs geen denkbeeld geven.
Geen tijd vervult haar, eu geen maatstaf meet haar af.
Uit haar kwam alles voort, en ze is van alles 'tgTaf.
Het oogenblik, dat 'teerst den mensch hier zag verschijnen.
Het oogenblik, dat bier den laatsten ziet verdwijnen.
Versmelten beide in één, en missen onderscheid
In 't eeuwig heden van de vreeslijke Eeuwigheid. (ten;
Ik stamel siddrend't woord — reeds zwijmen mijn gedach-
Mijn geest blijft ledig, cn mijn ziel is zonder krachten;
'k Zink in een' afgrond ncér met alles om mij héén;
Klets eindigs denkt baar ooit, de Godheid denkt ze alleen! -
Oneindig Wezen, min dan de Eeuwigheid te vatten!
Geen stervling denkt U, hoe zijn geest zich af moog matten;
Hij noemt vergeefs uw' Kaam, verheft vergeefs zijn stem,
Het denkbeeld, dat hij zoekt, blijft grondeloos voor hem. —
Ik staar uw schepping aan, ik zie de onmeetbre bollen
Met stille majesteit door 't vreeslijk ijdel rollen;