Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 116 —
Zee zeggen van hun zegen ligt :
,, Dat 's Averk van eigen hand!
55 zijn wij onzer vlijt verpligt,
5,En dat aan ons verstand!"
Wel allen, jongens, zijn zoo niet,
Der vromen tal is groot;
Maar wie zoo 't graan niet groeijen ziet
Dankt niet altijd voor 't brood.
Wij doen dat, kinders, eer dan zij
Den GETEs die ons gaf;
Maar 't is ons ook als bingen wij
Meer van zij5 goedheid af.
Want bield hij eens Zijn regen in.
Of nu Zijn zonneschijn; —
De vrucht van 07i8 verstand zon min,
En vlijt zou nutloos zijn.
Maar zweeft Gods adem over 'tland.
En wast en rijpt bet graan,
Dan is 't als bood zu5£ eigejt haïb
Ons nu de schoven aan.
Dus kinders looft — de mutsen af—
Voor 't loon op Vaders vlijt;
Maar dankt daarbij hem die 't ons gaf.
Dat gij van boeien zijt.
1835. ^ J, BBSSIEB» A«.