Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— llö —
Wat Maarten noch de jager dacht.
Wist nu die 't al aanscliouwt.
Die 't graan, door ons in de aard gebragt.
Nu weêrgeeft duizendvoud.
Dus kinders, looft den goeden God
Voor 't loon op Vaders vlijt;
Maar dankt daarbij voor 't heilvol lot.
Dat gij van boeren zijt.
Al haalt gij bij de steélièn niet
In woning of kleedij;
Mij dunkt die zijn zoo vrolijk niet,
Zoo dankbaar 'niet als wy.
Die werken wel op werf en wal.
En brengen op kantoor
Of beurs en bank in groot getal
Hun lange dagen door.
Hoewel men op bun keijen grond.
Waar naauw een boom op groe\J,
Waar nooit een bunder tarwe stond.
En nimmer boekweit bloeit; —
Hoewel men daar geen' akker heeft.
En zaait of maait er niet; —
Hu, die de vogels voeder geeft, ^^ .
Vergeet de steélièn niet.
Maar de armen, zijn ze ook meestal rijk,
Rijk aan hun zuur gewin, —
Ze zien des Hemels liefdeblijk
Niet als vyij boeren in,
»»