Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
m DE fSCHUIJR.
Daar komt de gift die God ons gaf.
Onze eerste wagen graan; —
Komt kinders neemt de mutsen af —
Daar komt Zijn zegen aan.
'tis waar, uw Vader dreef den ploeg,
En beeft bet veld bezaaid;
Maar zoo geen ander zorge droeg,
Wij hadden niets gemaaid.
De bouwman kan zijn mud of wat
Wel strooijen over 't land;
Maar zonneschijn cn hemelnat.
Dat valt uit hooger band.
Nu kinders, wat men bidden mogt.
Het kwam ook van omboog:
Ka droogte werd de grond bevocht.
En na den regen droog.
En of ook meester Maarten riep:
„Het zaaizaad is verrot!" —
Eens op een nacht toen ieder sliep,
Is alles uitgebot.
En toen des Jonkers jager zwoer
Dat al 't gewas bevroor,
Brak ras, tot heil van d'armen boer.
De meimaands warmte door.