Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
liedroeft liem door zijn klagt,
Of beurt hem op, en lacht,
En gaat als de eerste heen,
En laat hem weêr alleen.
Intusschen jaagt en spoort
De dag zijn rossen voort.
En hijgt, ook loom en moé.
Zijn koele peluw toe.
Hij heft allengs van de aard'
De dampen hemelwaart.
En roept van ver den nacht
Ter stille hemelwacht.
Nu trekt, in 't scheemrig graauw.
En badend door den dauw.
De wandlaar zachtkens voort
Naar 't hem vertoevend oord.
Juich, lijder, in uw leed!
Droog, opgeruimd, u 't zweet
Van t gloeijend aangezigt!
Hoe ver de rustplaats ligtj
Hoe vele kronkelpaan
Uw voet nog door moet gaan;
Hoe lang de togt nog duur';
Hoe menig eindloos uur
De hitte van de ramp
Nog uwe kracht bekamp';
Vertwijfel, wankel niet.
Schoon 't oog geen' koelen vliet.
Geen lomrig plekje ontdekt.
Dat tot verkwikking strekt!
Uas treft ge een rustplaats aan,
Waar ge uwen dorst verslaan.
Uw kracht herstellen kunt.
En die weêr troost vergunt.