Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Ach, goede Tijd! hoe boos zou 't loopen.
Waart gij omkoopbaar of vervaard!
Wat tranen zou de schoone u oiïren!
Wat ledigde de rijke al koffren!
Wat vloog u niet al in den baard!
Wat zou de list niet al verzinnen.
Wat onderstond de dappre al niet.
Om u te dwingen of te winnen!
Hoe ras waar 't uit met uw gebied!
Gij gaat uw' gang en volgt, ontrefbaar.
Het eens u afgebakend pad.
Gij schenkt, wie 't lust u voort te drijven,
Spadiljes, jassen, kegels, schijven.
En al den troost van pijp en vat.
Gij gunt aan de oude sloof haar snuifje.
Der jonkheid veêl en rommelpot.
Den smulgraag 't fijn patrijzenkluifje.
En elke kwezel baar marot.
De tijd baart rozen!—ja, dat doet gij;
Maar menig, die zich reeds verbeeldt
Haar' liefelijken geur te ruiken.
Ziet distels voor zijn' voet ontluiken.
En brandt zijn vingers aan uw teelt.
Een' ander', die, met weenende oogen.
De sneden telt van 't laatste brood,
Komt gij met redding toegevlogen,
En stort hem schatten in den schoot.
Alaar wat gij brengt of niet moogt brengen.
Wij moeten in uw schuitje meê;
En, hobblend op ontrouwe baren.
Met u den levensstroom bevaren.
Die afvloeit naar een veilge reê.
Ik stel dit versjen u in handen.