Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— iOI —
Den cijerdop was uitgebroken,'
In 't kraamrertrek van vrouw natuur.
Maar wanneer? Ja! geen advertentie
Komt hier weetgierigheid te baat.
Geen buurjvrouw kau men kondschap vragen.
En wist men in die oude dagen
Van doopceel of civielen staat!
Hij wipte, kant en klaar, in 't leven
En óver wieg en vuurmand heen.
Om fluks de heirbaan op te streven.
Eer zelfs de baker nog verscheen.
Hij kwam, en vloog, en blijft nog vliegen
Met de eigen onvertraagde vaart
Waarmeê hij 't eerst de slagpen roerde.
Die hem zijn enge cel ontvoerde
Bij 't uchtendscheemren van onze aard'.
Zoo vloog hij duizenden van jaren
Reeds door, en altijd even snel.
Hij zal dus denklijk 't lang nog klaren.
Wat Nuze ook cijfer' en voorspell'.
Hoe menig heeft reeds, rappe grijze!
U 't hoofd zien duizlen op uw baan! —
Zijn' neus de toekomst ingestoken.
Uw sterflucht duidelijk geroken.
Uw doodkist in de maak gedaan!
Maar alles wat die sukkels gisten
Was onbezonnen mijmerij:
Gij hielpt den een' na d'andren kisten
Met al hun manke profeetzij.
Gij vliegt steeds Voort, en zwaait uw zeissen
Met onverzwakte vuist langs de aard'.
Doch zoo gij 't elk van pas zoudt maken,