Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Zij zwijgt, verbijt zich, zint op wraak;
Maar eer zij tot besluit wou komen,
Werd over de ongehoorde zaak
't Advies eens buurmans ingenomen.
„Wel, aardig kind!" dus antwoordt hij:
,, Wanneer die stoute jongen mij
,, Een zot in 't aanzigt had geheeteu,
Ik had gelagchen, 'k wil 't wel weten."—
,'k Geloof het best,' sprak zij met spijt:
, Gij weet te wel dat gij 't niet zijt.'
1835. j. IMMEaZBBl, J'.
DE TUD.
V
De Tijd! — hem gaf de Schepper 't aanzijn;
De menseh, een vorm naar eigen beeld,
Maar heeft, bij hooggeklommen jaren.
Bij langen baard en grijze hairen.
Hem tevens vlerken toegedeeld.
De kunst, waar ze ons hem af moog' malen,
Geeft hem een uurglas bovendien.
En, trots een maaijer uit Westphalen,
Een sikkel, breedcr nooit gezien.
Men maalt hem oud, en 't heeft zijn reden:
Wat heeft hij ook al lang geleefd!
Maar wat al twisten zag hij rijzen.
Bij 't hachlijk tasten naar bewijzen,
Hoe lang hij reeds gevlogen heeft!
Eens is hij vast van honk gestoken.
En wel, toen hij, in 't b-trensimr.