Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET WIEE MAIM HEUSDEW

ROMAÏCE.
, Men roept, men roept van d'overkant
, Der Burchtgracht, eedle vrouw!
,Het schijnt een reiziger in nood,
5 Die trantelt van de kou.' —
5, Een Reiziger? Wy zijn alleen,
„ En mijn Gemaal is ver^^
„ Wat ware 't, zoo er onraad school,
,, Als ik de deur ontsperr'!" —
, Het maanlicht schijnt, hy 's onverzeld:
, Zijn uitzicht spelt geen kwaad: —
, De wind Snijdt fel, de sneeuwvlok valt
, Wat vreest gy voor verraad ?' —
„Welaan dani laat de valbrug neêr,
„ En lei hem in de zaal.
„ Maar, Herman, hou een wakend oog.
,, Ik beef voor dit onthaal.
„ Ik weet niet welk een voorgevoel,
„ Wat heimelijke schrik,
Zich van mijn boezem meester maakt
„ Als in een oogenblik."«—
I