Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
I\u sprak de maagd: „ zoo zegt de Heer;
„ Daar 's meerder vreugde, voor mijn throon,
, Wanneer één zondaar zich bekeert tot Mijn gehoon,
„ Dan als er honderd My getrouwen
„ Het licht der zaligheid aanschouwen,
„O JOSE, josE, twijfel niet!
„Bekeer, bekeer
„U tot den Heer,
„Uw lieve Moeder ziet
„Op u ter neder."
„ Goede geest!
„ Zoo help my bidden!" — hy had meer
Gezegd, doch kon 't niet, — maar zonk neêr
En knielde op de aard.
De vochtige oogen nederwaart,
En de armen om haar leest.
En zoo vaalbleek, dat waar dees stond
Zijn stervensuur geweest.
Geen droever tint zijn dorre wang
Ontvleescht en kleurloos sints zoo lang,
Had kunnen verwen, of zijn mond
Een blaauwer loodkleur geven, dan
De lippen dekte van den man.
bekt»
IlVOEniUITEIT.
Een jongen had, te regt of te onregt ('k laat het daar)
Een meisje voor zottin gescholden.
Verschoonlijk, dat die hoon door haar
Zieh door geen lachje of kusje zag vergolden.