Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 97 —
Romeinen! en gy, Wraak! en, klinkende Oppermacht!
ó Strenge en bange strijd, die my de ziel verkracht!
Besluitloos schuwt mij n hart,al wat het schijnt te willen,
ó Liet zich 't fel gety van zoo veel driften stillen!
Wat volg ik? zachtheid? straf?— Gy, Hemel, sta my by I
Of schenk my vrede in 't graf, of in de heerschappy!
BILDEBSIJK.
FRA^MEIVT UIT JOSE.
„De Hemel, josb ! bracht my hier."
„Zoo, voert hy de duive aan de borst van den gier. —
„Flobijtbb, men sloot my den Hemel. — Ik hoop
„Op Hemel noch aarde—het lot heb' zijn loop —
„ Daar leeft in de wareld geen mensch, die my mint,
„ Gy mooglijk, maar dat is misdadig; — ik vind —
„ Ik zoek in den Hemel geen God die my hoort,
„Want ik heb zijn stem in mijn boezem gesmoord."
„Niet zoo, mijn jose. God verstiet
„ U nog in uwe ellende niet,
„ Noch ik vergat U, — Gy verliet
„ Dit oord, —■ ik bleef ü trouw:
„ Ik ben geens andren echte vrouw,
„'t Is nog FiOBiaBB die gy ziet,
„ Die voor uw heil haar rust ten offer brengen zou,
„Maar hoor my aan, — heb ik u ooit bedrogen?"
Een traan ontschoot haar met de vraag,
En blonk in 't oog, en rolde traag
Langs 't bleeke marmer van die koon ,