Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE nrCEBfiEIiDE HAAMHJE:.
Een arts moest bij een dame komen
Die ziek was, zoo als werd g-emeld.
Hij ging, cn had weldra vernomen,
Hoe 't met haar krankheid was gesteld:
„ Zij sliep, zoodra ze in 't bed ging leggen;
„Zij at met smaak (dit moest zij zeggen)
„Al wat aan haar werd opgediseht."
,Welnu, Mevrouw! 'k zal u iets geven,
,Dat ras verandring vergewischt:
,'k Heb hier u 't middel voorgeschreven,
(Sprak de arts) waardoor ik weet en wed,
,Dat de eetlust uit uw maag verdreven,
, De slaap verjaagd wordt van uw bed.'
ALLEENSPRAAK VAN AUGUSTUS,
UIT CINNA;
TBEÜBSPBL VA* COBIBILIB.
Wien, Hemel, wilt gy dan, dat ik mijn ziel voortaan
Ontsluite en 't leven waag, zoo dikwerv' reeds verraan?
Herneem die Oppermacht, die toebetrouwde Staten,
Zoo dit ons Vrienden neemt voor muitende onderzaten;