Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Zij grijpen naar rozen en rieken er aan,
Maar walgen al rasch van haar geuren;
Zij werpen haar weg, en zij strekken de hand
Begeerig weêr heen naar welriekender plant
En bonter cn schillrender kleuren.
En ieder genot, naar het hooger zich spant.
Bevredigt te minder de zinnen;
Verzadiging volgt; de kwelling bot uit.
En heel de natuur biedt geen bloem meer of spruit.
Die 't hart kan verlokken of winnen.
Maar, tooverend, weet weêr verbeelding op nieuw
Iels anders belioring Ie leencn.
De lust ijlt er heen met gevleugelden voet;
Men nadert, men grijpt bet aanlokkelijk goed.
En 't is met die greep weêr verdwenen!
De Hoop, slechts de Hoop speelt een schittrende rol
Op 't wondcrlooneel van het leven:
Verpoost zich de kwelling en zw'jgt het gcklag,
liet is door haar' aanblik, het is door den lach.
Dien ze om hare lippen laat zweven.
Ach! houd ons dan immer, onschatbare Hoop!
Een vrolijker uitzigt ontsloten.
Verdrijf gij de kwelling, die 't heil ons verpest;
En zij, met den blik op de toekomst gevest.
Een teug uit uw troostbron genoten!
1829. j. jmmebzem, j'.