Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Zweir Hollands oorlogszuchtig bloed
In 't bruiscbend hart der Helden!
Betemmers van den pekelvloed.
En scheppers van hun velden!
Hier smooren wrevel, oproer, twist;
En de oude veete werd geslist;
Gedempt, de bron der smarten!
De staf, door Diedrijks hand getorscht.
Behoort den aangebeden' Vorst
Hem, aller braven harten!
bildebdijk.

Wat hoort men van rampspoed, van onheil en smart
Al menige droeve vertelling!
Wat zijn toch de menschen verdwaasd van natuur:
Zij zuchten, als viel hun het leven zoo zuur!
En nogtans — zij zoeken de kwelling.
Men zegt, en met regt! ieder huis heeft ziju kruis;
Maar och! hoe die kruizen verschillen!
Hoe veel zijn er onder, die 't noodlot niet zond,
Maar zaam zijn getimmerd op eigenen grond
Door koppigheid, argwaan of grillen.
Den menseb ligt, zoo schijnt het, een grondtrekin 't hart.
Die hem tot de kwelling doet neigen.
Maar weinigen zijn er te vree in hun lot;
Den meesten verveelt het gezegendst genot;
Den meesten is 't klagen zoo eigen.