Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
r
f
— »0 —
„Mijn liere Hans! begrayen waar."—
„„'tZijn na niet langer spotternijen:
„„Dat ruikt bier naar den duivel, Nik.
„„Dit volk jaagt alles hier in schrik
„ „ Met die verdoemde spokerijen.
„„Kom, makker! haastig heengestapt!
„„En laten we, aan 't gevaar ontsnapt,
„„Den lieven God er dank voor wijén.'"
Toen koos, van 't schouwspel overzad,
Het pelgrimspaar het hazenpad,
En liep zijn bladervolle zolen
In bloed; verschrokken en bevreesd,
Dat ligt de Nikker, of een geest,
In rotskloof of struweel verscholen.
Zijn klaauwen in bunn' nek mogt slaan.
Zoo bollen zij, zoo hard ze mogen.
Met strak door d'angst geopende oogen.
Tot dat ze aan 't einde van hun baan
Als palen voor de herberg staan.
Zij haasten zich, om uit te rusten,
De huisdeur in met vromen zin;
Zij zoeken 't stroo, eu snorken in;
En gunnen elk, wien 't mag gelusten.
Te trekken naar dien heUgen grond,
Die hen op bloed en doodsangst stond.
J. IXIIEBZEEL, J'.
JVaur hut Hooad. van Ricbabd Roos.