Boekgegevens
Titel: Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Auteur: Swart, Jacob
Uitgave: Amsterdam: wed. Gerard Hulst van Keulen, 1843
6e, verb. en veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1727 B 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204250
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Sterrenkunde, Zeevaartkunde, Tabellen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
Verklaring van TAFEL XIX. Zons halve middellijn. 67
zijn in omgekeerde reden van de afstanden dier hemelligehamen tot de
aarde; d.i. naar mate de afstand van eenig hemelligcliaam vergroot,
verkleint de halve middellijn, en omgekeerd. De grootte der halve
middellijnen hangt dus af, ten eerste van de grootte des hemelligchaanis
en ten andere van den afstand, die hetzelve van ons heeft. In de
Tafel hebben wij voor eenige tijdstippen de Zons halve middellijn
opgegeven , en dezelve naar aanleiding van den Almanak ontworpen.
Den 25"°" Jan. is, bijv., volgens de Tafel, de Zons halve middellijn
16'16", den IS'*'" Oetober 16'8" enz. In onze sterrekundige opgaven,
Tafel XLIV, hebben wij verder de grenzen der grootte van de mid-
dellijnen van eenige hemelligchamen met naauwkeurigheid doen kennen.
Moet evenwel de halve middellijn der Zon met alle zorg bepaald
worden, zoo neme men dezelve uit den Almanak, waar zij thans
in de 10'^° kolom van pag. I., van elke maand, van 5 tot 5 dagen
gevonden wordt.— De halve middellijnen van Fenus, Mars, Jupiter
en Saturnus, vindt men mede van 5 tot 5 dagen op de VIl"^' en VIll"'
bladzijde. Zie over de Maans halve middellijn, de Verklaring van
Tafel XXII,
Wegens den grooten afstand der vaste sterren en de daardoor ver-
oorzaakte schijnbare kleiidieid van derzelver halve middellijnen, kan
men bij deze geene halve middellijn in rekening brengen.
TAFEIi XX. Middelbare Straalbuiging, of Refractie bij
eenen Barometer van O"",760 en eenen Thermometer
van 10" der honderdgradige verdeeling»
Alle lichtstralen , die sclmins uit eene dunnere of digtere vloeistof
in eene digteré of dunnere overgaan , worden Tali rigting veranderd.
Daar nu de lucht om de Aarde, naarmate dezelve digter hij den
Aardbol is, allengskens in digtheid toeneemt, zoo volgt hieruit , dat
een lichtstraal van eenig hemelligchaam door den dampkring gaande
niet in eene regte lijn tot de oppervlakte der Aarde komt; integendeel,
zoodia hij in den dampkring der Aarde komt, wordt hij, naarmate
dezelve tot de Aarde nadert, in rigting veranderd, neigt als het ware
meer tot den waarnemer of tot eene loodlijn, die men aldaar zoude,
kunnen oprigten , en beschrijft aldus eene gebogene rigting, die men
Sterrekundige Refractie of Straalbuiging, of ook wel Damphefjing noemt.
Wij zien de hemelligchamen niet volgens die gebogene lijn, maar wel
volgens eene raaklijn, die aan het einde, als in ons oog, aan dezelve
kan worden gesteld. De straalbuiging of sterrekundige refractie heeft
dus ten gevolge, dat wij de Zon en al de hemelligchamen te hoog zien en
waarnemen, en hij gevolg moet de refractie afgetrokken worden van de
waargenomene hoogte. Als een hemelligchaam in het toppunt staat,
kunnen de lichtstralen niet meer tot de loodlijn neigen; zij vallen dan
in dezelve en de straalbuiging is voor dien stand nul. Dezelve is het
grootst, als de sterren in den horizon zijn; zij is dan tevens zeer
onregelmatig, en ofschoon wij in de Tafel, de refractie voor O" heb-
ben opgegeven, zoo zal men evenwel te dezen aanzien weinig ver-
trouwen kunnen stellen, en zich om de onregelmatige horizontale