Boekgegevens
Titel: Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Auteur: Swart, Jacob
Uitgave: Amsterdam: wed. Gerard Hulst van Keulen, 1843
6e, verb. en veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1727 B 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204250
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Sterrenkunde, Zeevaartkunde, Tabellen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
55 Ferklaring van TAFEL XI. Ilaloe dag- en nacluhogen.
2®. Als de breedte en declinatie ongelijknamig zijn, zoo is het getal
uit de Tafel de halve nachtboog; deze dus van 12" afgetrokken, zoo
is de rest de halve dagboog , hiermede handelt men als in het voorgaande
geval, d.i., die rest afgetrokken of opgeteld van of bij den doorgangstijd,
zoo geeft het verschil of de som den tijd van opkomst of ondergang te
kenneti. De ware tijd, dien men op deze wijze verkrijgt, kan door de
tijdoerejfening tot middelbaren tijd herleid worden.
3. Voorb. Stel, dat eene ster te 5 ure waren tijd door den meridiaan
jaat, dat derzelver declinatie 15° N. is, en men zich op 45° N. breedte
bevindt; men vraagt naar den tijd van op- en ondergang van deze ster?
Als doorgang heeft men.......5® O™
voor 15® declinatie en 45° breedte geeft de Tafel 7. 2
de ster gaat dus onder te 12" 2"°, ware tijd;
daar de sters halve dagboog (7" 2®) grooter is dan de doorgang, zoo
wordt er, om de opkomst te bepalen en de aftrekking te kunnen verrig-
ten, 12 uren gevoegd bij den tijd van doorgang; bijv.: 5"+ 12» = 17"O"
getal uit de Tafel 7. 2
derhalve komt de ster op te 9" 58™
's morgens.
4. Voorb. Op 13® Z, breedte wordt gevraagd naar den tgd van op-
en ondergang van eene ster, die 30® N. declinatie heeft, en te 9 ure
door den meridiaan gaat.
Voor de breedte en de declinatie (30°) heeft men door de Ta-
fel 6"31"; volgens het 2^° geval, waartoe dit voorbeeld behoort, moet
deze tijd (6" 31"°) van 12 uren afgetrokken, en overigens dit vraagstuk
opgelost worden, als bereids in het voorgaande voorbeeld is aangetoond.
De doorgang is 9" O""
uit de Tafel heeft men (12" — 6" 31°') 5. 29
de som geeft den ondergang, voorvallende te 14" 29™ na den middag,
of te 2° 29" 's nachts.
Het verschil tusschen den doorgang en den halven dagboog der
Tafel, of 9" — 5"29° = 3"31", is de tijd van opkomst der ster, uit-
gedrukt in zonnen- of waren tijd.
Nagenoeg op dezelfde wijze, als wij bij eene ster hebben opgegeven,
wordt door deze Tafel den tijd van op- en ondergang der Maan bepaald.
Wij zullen dien tijd den benaderenden (approximatieven) tijd van op-
en ondergang noemen. Daar de Maans declinatie somtijds zeer snel ver-
andert , zal men dezelve voor den genoemden benaderenden tijd moeten
berekenen, en met deze declinatie wordt dan op nieuw het getal uit onze
Tafel bepaald; verder neme men het verschil tusschen den doorgang
der Maan van den gegeven dag op den volgenden dag; door Tafel XIV
wordt er nu met dit verschil en den nader bepaalden halven dagboog,
een evenredig gedeelte gevonden, hetwelk men eindelijk bij dezen hal-
ven dagboog optelt; dit is nu de bij nadering gezochten, of, zoo als
de zeelieden zouden zeggen , den herleiden halven dag- of nachtboog,
waarmede verder gehandeld wordt, als bereids bij eene ster is opgegeven.
5. Voorb. Op 25® Z. breedte wordt er gevraagd naar den tijd van de
Maans opkomst?