Boekgegevens
Titel: Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Auteur: Swart, Jacob
Uitgave: Amsterdam: wed. Gerard Hulst van Keulen, 1843
6e, verb. en veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1727 B 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204250
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Sterrenkunde, Zeevaartkunde, Tabellen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
191 Iets over den tijd in het algemeen en deszelfs herl. in het hijzonder.
bedragen, en de ster , die l>ij den aanvang te gelijii met de zon in den
mei'idiaan kwam, zal na één jaar éénmaal meer dan de zon door den
meridiaan zijn gegaan.
De zonne-dagen zijn onderling ongelijk in grootte. De zon beschrijft
dagelijks geene gelijke bogen en ten andere, al waren die bogen gelijk,
zoo worden dezelve niet steeds in de rigling van den equator volbragt.
Omstreeks den winter zonne-stand is de dagelijksche beweging der zon
rnitn ül' en tegen den zomer zonne-stand ruim 57'; dit kan onder
andere ook daaruit onmiddellijk blijken, dat het verschil van zons regte
opklimming, voor gelijk tijdverloop, bij den eersten stand grooter is,
dan bij den laatsten : dus heeft de zon des winters hare grootste en des
zomers hare kleinste snellieid van beweging. — Brengt men de linie
en den zonsweg op eenen bol over, zoo ziet men, dat de bogen, die
de zon dagelijks in de ecliptica aflegt, ongelijke helling op de linie
hebben; en dus al waren die bogen van de zons voortgang dagelijks
gelijk, zoo zoude dezelve, op de linie overgebragt, door deze ongelijke
helling, toch ongelijke deelen op dezelve afsnijden. Men kan zich ech-
ter eene middelbare zon voorste len of aannemen, die zich in de linie
beweegt, en dagelijks gelijke bogen in dezelve aflegt. Als men nu deze
middelbare en ware zon, als van een punt, te gelijk laat afgaan, zul-
len dezelve de eene in de linie en de andere in den zonsweg, dage-
lyks voortgaan, doch dan eens gelijk dan eens ongelijk door den meri-
diaan gaan, of zich de meridiaan aan dezelve bevinden. Het verloop
van tijd nu tusschen twee doorgangen van die gestelde middelbare cn
zich in de linie bewegende zon door hetzelfde meridiaan-vlak wordt
tniddelhare-zonne-dag, of eenvoudig middelhare-dag genaamd.
liet gezegde kortelijk te zamen nemende, geeft ons de volgende dagen :
1°. Sterren-dagen, die steeds gelijkmatig of onderling even groot zijn.
2°. De zonne- of ware dagen, die wij door den dadelijken loop der
zon verkrijgen ; deze zijn onderling onderscheiden in grootte.
3°. Gemiddelde of middelbare dagen, die ons door de middelbare
zon worden aangewezen, en die mede onderling gelijk in grootte zijn.
Deze tijd wordt gesteld eenen aanvang te nemen, als de zon zich in
haar naaste punt van de aarde bevindt, dat omstreeks den 24 of 25
December plaats heeft.
De sterrekundigen maken voor hunne tijdwerktuigen veelal van den
sterren-tijd gebruik. De telling van dezen tijd begint, voor eene
plaats, als deszelfs meridiaan zich aan het evennachts-punt van '\p be-
vindt: als die meridiaan vervolgens aan eene ster, bijv, Aldeharan,
genaderd is, zal de sterren-tijd gelijk zijn aan de regte opklimming
van deze ster, die volgens Tafel XXVIII, op den Januarij 1842,
4" 26™ 52» is; de sterren-tijd is dus op dien oogenblik, daar ter
plaatse, 4» 26® 52'. Het blijkt verder, dat op dien zelfden oogen-
blik, volgens Tafel XXIX, de zonne-tijd zeer nabij 9" 38" is, of als
de ster door den meridiaan gaat, is het op dien oogenblik van doorgang
38™ naar den zonne-tijd.
liet verschil tusschen den middelbaren- en zonne tijd wordt tijd-
vereffening genoemd. Dc tijdvereffening vindt men in de sterrekundige