Boekgegevens
Titel: Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Auteur: Swart, Jacob
Uitgave: Amsterdam: wed. Gerard Hulst van Keulen, 1843
6e, verb. en veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1727 B 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204250
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Sterrenkunde, Zeevaartkunde, Tabellen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
FerkL van TAFEli LXïV- Sterre- en aardrijhskimdige opgaven, 187
In het Tafeltje A. heeft men dc gemiddelde afstanden der planeten
tot de zon ; vooreerst treft men hier de gemiddelde grootte aan van de
groote assen hunner loopbanen. Stelt men den afstand der aarde lot
de zon voor door 1, zoo is die van Mercurius tol dc zon 0,3870981;
in halve middellijnen der aarde is de afstand = 9284,161 =0,3870981
X 23984 (zijnde de geiniddelde grootte van den afstand der aarde tot d»;
zon in radiën der aarde.) Vermenigvuldigt men 0,3870981 met 34369072
(zijnde de gemiddelde afstand der aarde lot de zon in lieues), zoo heeft
men 13 304 201 voor den afstand van Mercurius in de gewone sterie-
kundige lieues. De vijfde kolom bevat de uitmiddelpuntigheid; door
behulp der hier opvolgende kolom kan men de uitmiddelpuntigheid
ook voor de volgende tijden bepalen. Aldus is de uitmiddelpuntigheid
van Mercurius voor den l^^en Januarij 1832 = 0,205 514 94 0,000
003 867 X 31 = 0,205 516 139. De gemiddelde afstand der maa^ van
dc aarde is opgegeven in gemiddelde halve middellijnen der aarde.
Het Tafeltje B bevat de uitgebreidheden of volumen, de stoflelijkc
inhouden of massas, en de digtheden der planeten: allen in betrek-
king tot die der aaide; alsmede de zwaarte op de oppervlakte en de
jaarlijksche parallaxis der genoemde hemelligchamen : zijnde deze de
grootte van den hoek, onder welken men de halve middellijn der eclip-
tica van die onderscheidene henielligchamen ziet. Uit het Tafeltje
blijkt, dat de volume van Uranus 71 malen die der aarde overtreft, en
deszelfs massa nagenoeg 20 malen zoo groot is, enz. Iets, dat op de
aarde, bijv., 1 pond weegt, zou op Saturnus 1,01 pond zwaarte hebben en
op de zon overgebragt, 28 malen zwaarder worden. Een ligehaam valt
op de aarde, in de 1° minuut van deszelfs val, 4,9044 el of meter en
op Saturnus^ in dien zelfden tijd, omtrent 5 ellen. Eindelgk blijkt
het, uit de laatste kolom, dat men, bijv., op de planeet JJranus de
straal der ecliptica onder eenen hoek vau 2® 55' zal zien.
Het Tafeltje G geeft : 1°. de grootte van de middellijnen der opge-
noemde hemelligchamen, zoo als wij dezelve van de aarde waarne-
men, naar gelang deze zich in den naasten, gemiddelden, of versten
afstand van die hemelligchamen bevindt; aldus is de zons middellijn,
naar dat de aarde in eenen der genoemde standen is: 1891"(= 31'31"),
1922",9(=32'2'',9), of 1955^6 (= 32'35",0). Als men zich voorstelt,
dc hemelligchamen op den afstand van de zon van zich te hebben ,
zoo geeft de vijfde kolom de grootte der hoeken te kennen, onder
welke men alsdan derzelver middellguen zoude zien. Vervolgens bevat
het Tafeltje nog de wezenlijke, en ook tevens de met de aarde betrek-
kelijke, grootte der middellijnen. De middellijn der aarde is 2865,4
lieue. De sterrekundigen gebruiken gemeenlijk de lieues om groote
afstanden uit te drukken; daar elke lieue 4,44444 kilometer is, zoo
is dus dc middellijn der aarde ruim 12735 kilometers of nieuwe mijlen
groot; op gelijke wijze kan men elk der opgegevene middellijnen tot
deze mijlen en verder door het Tafeltje N van Tafel L ook lot andere
mijlen herleiden. Eene opgave van dc sterren-omwcntelings - tijden
der planeten besluit eindelijk dit Tafeltje C, waaruit blijkt, dat
Saturnus y deszelfs omwenteling om zijne as, in 0^^,437 of in ruim
10*^ volbrengt; als dus dc meridiaan vau eenig punt yiwx Saturnus
aan eene vaste ster is, zoo zal die mcridia;in na eene oinweiUeling
van Saturnus of ruim lO"" weder aan die zelfde ster terug zijn.