Boekgegevens
Titel: Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Auteur: Swart, Jacob
Uitgave: Amsterdam: wed. Gerard Hulst van Keulen, 1843
6e, verb. en veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1727 B 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204250
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Sterrenkunde, Zeevaartkunde, Tabellen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
180 Ferhlaring van TAFELi XLI. Over dti Getij-rekening.
De aantrekkingskraclit der maan en zon werken heide op den aard-
bol, en doen zich in omgekeerde reden van de vierkanten der afstanden
düor eene rijzing en daling der zeeën gemakkelijk opmerken; van daar,
dat het water der zee onder de maan en zon meer hij een wordt opge-
hoopt, hetgeen dan ook ten gevolge heeft, dat het op die plaatsen
der aarde alsdan laag water is, welke gelegen zijn in het vlak, datregt-
hoekig gesteld kan worden, op het vlak gaande door de zon, maan eu
het middelpunt der aarde, dat wij het vlak van hoog water zouden
kunnen noemen. Die zelfde aantrekkingskracht der genoemde hemel-
ligcliamen werkt ook op het middelpunt der aarde , en vermindert al-
daar , in die rigting, de aantrekkingskracht waarmede hetzelve de
wateren aantrekt, hetgeen dus in die rigting, en wel aan de andere
zijde der aarde, in betrekking tot de maan, mede een hoog water ten
gevolge zal hebben. Daar echter zon en maan niet altijd in een en het
/elfde vlak staan, zoo kan het vlak van hoog water zich zelden met zon
en maan vereenigen, en hetzelve helt meer of min tot een dezer hemel-
ligchamen, naar gelang dat de invloed van derzelver aantrekkingskracht
grooter of kleiner is; daar nu de maan veel digter bij ons is dan
de zon, is ook derzelver invloed veel grooter, zoo zelts, dat de ge-
tijën zich nagenoeg alleen naar den loop der maan rigten. Bij nieuwe
en volle maan bevinden zich de zon en maan in één vlak, derzelver
werking vereenigt zich alsdan, en men heeft mitsdien op die lijden de
grootste gelijën, springvloeden genaamd. Bij de quadratuur of kwartier-
manen zgn de zon en maan 90° van elkander; derzelver gemeenschap-
pelijke invloed of uitwerking is dan het kleinst, en de getijën, die dan
doode-getijen genaamd worden, het geringst. De hoogten der vloeden
liangen ook af van den afstand , die de zon en maan van de aarde en
deze ook onderling hebben; daar in Januarij de zon het digst bij de
aarde is, zijn ook de vloeden tegen dien lijd, bij nieuwe en volle maan
vooral, het aanmerkelijkste.
Hoogst merkwaardig is het, dat de invloed van zon en maan, in de
uilwerking op de getyën, eerst na één en een halve dag , op vele plaatsen
ook na twee dagen en meerderen lijd, op dezelve merkbaar wordt. Die
verachtering noemt men de vertraging of den ouderdom van het getij.
De gedaante der kusten, de banken en klippen hebben mede zeer veel
invloed op de hoogte en den tgd der getijën. Deze laatste invloed is
veelal bestendig en bij nieuwe of volle maan is het op dezelfde plaats
steeds op den zelfden tgd hoogwater; bijvoorb., voor Amsterdam zal
het dan te 3", te Rotterdatn te 3" 45"^, na maans doorgang hoog water
zijn: men noemt die tusschen lijden van hoog water bg nieuwe of volle
maan veelal haven-tijd, haven-getal^ enz.; onze Tafel XLII bevat een
^root aantal dezer tgden of tusschen lijden. Daar nu de dagelgksche
vertraging der getijën zich voornamelijk naar de verachtering der maan
regelt, kan men den lijd van hoog water voor eenen dag en eene plaats
bepalen, door de verachtering der maan, sedert N. maan, te voegen
bij den tijd van het haven-tij. — Wanneer de maan alleen op den tijd
der getijën werkte, zoude men dien lijd alleen uit die verachtering van
tijd moeten opmaken; dan naar gelang de zon en maan, door grootere
oF kleinere afstanden, meer of min gemeenschappelijken invloed uit-
oefenen , of dc maan zich in haren uansicn of versten afstand van de