Boekgegevens
Titel: Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Auteur: Swart, Jacob
Uitgave: Amsterdam: wed. Gerard Hulst van Keulen, 1843
6e, verb. en veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1727 B 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204250
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Sterrenkunde, Zeevaartkunde, Tabellen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
134 Ooer de ooereeHslemmende hooylcn.
wat dan 40' (= 19» — 18° 20'); dit geeft .... O" 5'" O'
de tijd der te groote hoogte is.......4. 4. O
de nam. hoogte, die met de oeht.hoogte overeenst., viel dus voor te 4" 9° 0.
In de hesehouwing tot hiertoe hehben wij gesteld , dat de straal-
buiging hg heide hoogten gelijk ware, iets dat zeldzaam plaats heeft,
en veelal dan niet het geval is, als de hoogten ver van den middag
vallen.
Ten einde ook dien invloed op de berekening te doen kennen, zullen
wij, het daaromtrent door fhancoeuh aangevoerde, hier kortelijk over-
nemen (*).
Laat h de voormiddags of ooster hoogte en r derzelver straalbuiging
zijn; zoo is de schgnbare hoogte h-\-r. Op gelgke wijze heeft men
voor wester schijnbare hoogte en volgens de gestelde voor-
waarde is : h-^r — h'-^r' en dus :
h=K J^r' — r = h' — {r — r').
Neemt men r^r*, zoo is de wester hoogte ---r' te groot, om met
de ooster overeen te stemmen. Intusschen is dit verschil in de straal-
buiging oorzaak, dat men de hoogten als gelgk heeft waargenomen;
daar men integendeel die hoogte nog r — r' had moeten laten verklei-
nen; of de namiddagshoogte is iets te vroeg genomen ; de tijd, die het
horologie derhalve aanwees, moet met e tijd vermeerderd worden,
zynde dit de tijd, dat het hemelligchaam den boog r — r' kan dalen.
De voor- en namiddagshoogten zgn veelal uit vele hoogten de gemiddelde
hoogten, althans zg behooren dit te zijn, en hierdoor is men dus iu
staat, te bepalen, dat de zon in t seconden tijds een' boog van s secon-
den rijst of daalt, hierdoor kan dus bepaald worden, in hoe veel tijd
de zon den boog r — r* beschrgft, bij voorbeeld:
s
Wil men deze vereffening onmiddellijk op den tgd van het horolo-
gie, die hetzelve wees bij den doorgang, toepassen, dan moet men de
helft van dezen vierden term nemen, en dit geeft voor de verbetering
t {r — r').
2 #
Deze toepassing eischt, wel is waar, de kennis der hoogten of de
gemiddelde loogte van elke rg van hoogten, ter bepaling van het verschil
der refractiën r—r' ;dit geeft dus eenig verlies in het gemak dezer
berekening, dewijl anders deze hoogten hier niet benoodigd waren.
Dan daar eene kleine onzekerheid in de hoogte geen' grooten invloed
op r — r' kan hebben, zoo behoeft men dezelve dus ook met geene
uiterste bezorgdheid te bepalen. Het verschil tusschen de eerste en
laatste hoogte, van het voorbeeld bladz. 132, is 0° 35'= 2100" ,
en het verschil der tijden gemiddeld 4"" 3' = 243= = t. De gemiddelde
hoogte bij de waarnemingen was 42» 12' 30", cn de stand van den
Barometer bij de ochtend waarnem. 744""" cn bij de nam. waarn. 780"""
cn Tliermometcr » » -f- 22» » » » » -j- 9».
(*) Astronomie Pratique , paj. 104.