Boekgegevens
Titel: Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Auteur: Swart, Jacob
Uitgave: Amsterdam: wed. Gerard Hulst van Keulen, 1843
6e, verb. en veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1727 B 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204250
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Sterrenkunde, Zeevaartkunde, Tabellen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van sterre- en zeevaartkundige tafelen; benevens eene uitvoerige verklaring en aanwijzing van derzelver gebruik in de werkdadige sterre- en zeevaartkunde, ten dienste der zeelieden
Vorige scan Volgende scanScanned page
100 Ferhlaring van TAFEL. XXIX. IFare tijd van doorgang.
stenen, voor elke maand, van vijf tot vijf dagen, voor het geheele
jaar in deze Tafel geplaatst. Het voorname doel, dat wij met het
plaatsen dezer Tafel beoogden, was, om door dezelve steeds ge-
makkelijk te kunnen bepalen, welke sterren door den meridiaan
gaan, en dienen kunnen, ter bepaling van eene meridiaans hoogte
en het berekenen der breedte. Bijv.: den 1»'" Januarij vindt men,
dat de Ster Arcturus te 19" 19"" aan den meridiaan komt; tegen
dien tijd, kan men zich derhalve gereed maken, om die ster in den
meridiaan, of op hare grootste hoogte, waar te nemen.— Met behulp
van de gegiste breedte en de sters declinatie, uit de voorgaande Tafel,
valt het verder gemakkelgk op te maken, hoe veel, ten naasten bg,
de sters meridiaans hoogte zal zijn. Stel, dat men zich naar gissing
op 50° N. breedte bevindt, en er de meridiaans hoogte van de ster
hegulus moet worden waargenomen, dan is de vraag: op welke graden
men den wijzer van den sextant moet zetten, ten einde bij het waar-
nemen, de bedoelde ster dadelijk in den spiegel te zien?
De gegiste breedte . . , . 50° O'N.
Tafel XXVm geeft voor declinatie . 20. O N.
Sters afstand van het toppunt , , ,30° O'
90. O
nagenoeg sters hoogte (in het zuiden) , 60° O'.
Het blijkt dus dat deze sters hoogte nagenoeg 60° zal zgn ; moet die
hoogte, op een ander tijdstip; bij voorbeeld, den Julij waargenomen
worden, zoo geeft de Tafe te kennen, dat men zich iets voor 7" 26™
lot het nemen dier hoogte gereed moet houden. Met deze hoogte en
den tijd zal men spoedig, zonder gevaar van de minste mistasting ten
aanzien van de ster, de hoogte van eegulus kunnen bepalen.
Wij hebben gesteld, dat het Merktuig geene index-correctie had,
anders zoude men ook deze in aanmerking dienen te nemen.
Bg het berekenen van den zonne- of waren tijd, door eene sters
uurhoek, zal men beter doen, met het verschil der regte opklimmingen
dadelgk te berekenen, en dit verschil in de nadere bepaling van den
tijd te bezigen , dan zich daartoe van deze doorgangstgden te bedienen,
zoo als nader bij de berekening der sters uurhoeken zal blijken.
In deze Tafel zgn de tijden van doorgang van vijf tol vijf dagen in
zonne- of waren tgd opgegeven. Voor lusschenvallende dagen, kan
men een evenredig gedeelte bepalen, en met dit vervolgens het getal
uit de Tafel verminderen; of, daar de sterren eiken dag, ten naasten
bij 4™ vroeger in den meridiaan komen, dan den voorgaanden dag, zoo
vermenigvuldigt men het getal der dagen sedert den laatslvoorgaanden
in de Tafel met 4, en hel product minuten trekt men af van den tgd
uit de Tafel. Als de pools afstand der ster kleiner is dan de breedte,
gaal de ster op zoodanige breedte niet onder: zg komt dan tweemaal
in den meridiaan, eens op haar hoogst, hetgeen men den hoven meri-
diaans doorgang noemt, en eens op haar laagst of in den beneden meri-
diaan, De Tafel geeft altijd te kennen, wanneer de ster in den boven
meridiaan komt, door bij dien tgd 11" 58°, of de helft te tellen van
23" 56™, zijnde de omloopstijd van eene ster, heeft men den tijd van
den vo]gen(ien doorgang door den beneden meridiaan.