Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE VRIJHEID. Si
vcns mijn verlangen naar berg en dal. Toen ik eens op
ecncn zondag middag naar de kerk ging, ontmoette ik twee
mijner voormalige schoolvrienden. Ik vraagde bun , waar
zij henen gingen? Zij noemden een' naburigen berg, van
wiens top men een ver uitzigt in het land had, en die
in betere dagen dikwijls door mij bezocht was. De zon
scheen zoo schoon. Ik ging treurig eenige stappeïi verder
maar keerde toen plotseling om , stak mijn gezangboek in
den zak en ging met hen."
» Zulk een* gelukkigen dag had ik lang niet gehad. Dc
hemel was onbeschrijfelijk helder, de hoornen stonden in
vollen bloei; onder mijne voeten lag een groen bloeijend
land , met dorpen bezaaid. Ik liep heen en weer om mij-
ne vrijheid te genieten, en klom den berg op en af, zoo-
dat het bijna duister was, eer wij bespeurden dat het lijd
was om terug te keeren. Ik had in mijne blijdschap aan
niets gedacht; eerst bij onze komst in de plaats viel mij
in welk een lot in huis op mij wachtte. Ik sloop zacht
binnen en hoopte ongemerkt mijn kamertje te bereiken, om
mijn vonnis tot den volgenden morgen uit te stellen;
maar mijn zwager wachtte mij op aan den trap , hield
mij vast, en vernam na eenige vragen, dat ik in pl^iats
van naar de kerk, naar den berg gegaan was. Daar ik
nu ook het biduur verzuimd had , dat hij gewoon was na
den kerktijd te houden, zoo had ik mij hierdoor in zijne
oogen aan eene zoo groote en zware misdaad schuldig ge-
maakt, dat hem geene straf te hard scheen. Ik werd dus
zonder eenig medelijden streng getuchtigd en naar mijne
duistere kamer gezonden, om de zonde, die ik bedreven
had , ernstig te betreuren."
»Ik lag met een* doorploegden rug op mijn hard bed en
F a ween-