Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
EEN WÏNTER-AVOND. 67
rust en onbevreesd aan al deze gevaren denkt. Is een
koning niet de lieer van zijn volk, en nogtans gaat het-
zelve hem in magt verre te boven. Oudertusschen ver-
wekt het denkbeeld van deze minderheid in magt even
zoo min vrees bij eenen goeden koning, als de gedach-
te aan de sluimerende krachten der natuur bij een ver-
standig mensch. Indien een oproerig volk eene onwet-
tige daad van zijnen gebieder vorderde, zou deze voor
de woedende menigte tretlen en zeggen: «»Ik zie, dat
uwe dolken tegen mij gerigt zijn; gij kunt mij van het
leven berooven , maar eerhws maken kunt gij mij niet.
Indien gij mij aan uwe onbillijke eischen opoflert, zal
nogtans de regtvaardigheid mijner zaak op u zegevie-
ren, en gij zult u na korten tijd over uwe onwaardige ze-
gepraal schamen." "
» Even zoo heerscht ook de edele mensch over de natuur;
Dezelve kan hem dooden, maar vernederen kan zij hem
niet. Met welk een woest geweld al hare krachten ook
op hem aanstormen, zegeviert nogtans zijn beste deel zelf»
over de schijnbare vernietiging van zijn aanwezen, den
Jood."
» En het is deze edele bewustheid van eene eeuwige en
onverdelgbare kracht, welke de beschouwing der ge-
duchtste natuurverschijnselen voor ons zoo aangenaam
maakt, wanneer wij dezelve in veiligheid genieten
kunnen."
»Toen ik mij voor eeu ige jaren te Napels bevond, had
ik het vermaak van eene uitbarsting van dei^ yesuptushiy
te wonen. Ik begaf mij bij het aanbreken van den naoht
naar den oever der zee, alwaar eene tallooze menigte
E 2 men-