Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE VISSCIIEHS JONGEN.
6t
Lad zelfs moeite mij te herinneren, hoe ik hier gctomeu
was. Mij geheel alleen bevindende, schreide ik droevig
om [mijne moeder, en begon eindelijk luid op te schreeu-
wen. Op mijn geschrei schoten eenige "wijven toe, die
zoo zwart en wanhavenig waren , dat ik er voor schrikte
en nog heviger weende dan te vortMi. Om mij te sussen,
hoden zij mij allerlei eten ann ; maar ik wilde niets aan-
nemen , schreeuwende steeds om mijne moeder. Ik weet
niet, hoe men mij ten laatste gepaaid liebbe 5 maar dit
weet ik nog, dat een der wijven mij dreigende te slaan,
een ander haar weérliield, zeggende: »zoo gij dien lie-
ven jongen een haartje krenkt, zal ik het n betaald zet-
ten." Dit wijf is in het vervolg steeds mijne beschermster
geweest, en ik hield mij voornamelijk aan haar, en
noemde haar mijne moeder. Zij behoorde, even gelijk de
mannen, die mij vervoerd hadden, tot eene bende heide-
nen, met welke ik langen tijd het land doorgezworven
heb. In den zomer waren wij op de wegen bedelende,
en waarzeggende in de dorpen. De nachten bragten wij
meestal in de bosschen door , alwaar wij ons rondom een
vuur legerden, en met dansen en zingen en allerlei
kortswijl den tijd sleten, In den winter sliepen wij in do
schuren op het stroo. Op dien voet heb ik verschei-
dene ,jaren 'onder dit volkje geslelen. Zij leerden mij
hunne liederen en allerlei muzijk, en maakten meer
werks van mij, dan van eenigen anderen jongen."
}) Maar hoe kondt gij zingen en vrolijk zijn?" vraagde
ALWIN. « Dacht gij dan niet aan uwe ouders en hunne
droeflieid?"
» In het begin , ja dacht ik Wel aan mijn huis ," ant^
woordde de knaap »maar nooit, viel mij in, dat mijne
ou-