Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
56 DE BRAND.
den eigenaar terng geven. Nu zijn zclcer al onze be-
zittingen als eene schuld aan te merken, die wij God be-
talen moeten, zoodra het hem behaagt, dezelve van ons
Ie eischen. En niet alleen ons vermogen , maar ook ons
leven."
»Zou het dan niet verkieslijker zijn[sprak AtwiN ,
»in het geheel niets te bezitten, dan hetgeen men bezit,
door rampen te verliezen ?"
»Er zijn wijze mannen geweest," antwoordde de vader,
»die ook van dit gevoelen waren. Zij oordeelden de on-
gestoorde gerustheid des gemoeds niet zekerder te kunnen
bewaren , dyn door zich te ontslaan van alle behoeften ,
die niet regtstreeks tot 's levens onderhoud vereischt wor-
den. Vrijwillig keerden zij tot dien staat terug, waaruit
de wilde zich begeeft, wanneer hij zich een eigen stuks
laiids afperkt en bearbei.lt. Vrij en genoegzaam, aan gee-
nerlei plaats gebonden, gingen zij door de wereld; streveng
de enkel naar deugd en de beschaving van den geest, zon-
der dat eenige aardsche zorg hen in deze edele pogingen
verhinderde. Anderen integendeel, waren van oordeel,
dat [het den redelijken mensch meer betaamde, het genot
niet te versmaden, hetwelk de bezitting der tijdelijke
goederen ons aanbiedt; mits, men ingetogenheid en kracht
genoeg bezat, om dit genot elk oogenblik te kunneu ont-
beren en hetzelve zonder kwelling vaarwel te zeggenj
»Gij hebt wel eens van diogewes gehoord , dien de
ouden den wijzen Hond plagten te noemen. Al de bezit-
tingen van dezen man be.stonden in eenen mantel, eenen
Btaf en eenen zak, waarin hij een' houten drinknap
droeg. Hoe weinig dit ook ware, ontdekte hij toch,
dat hij nog iets daarvan zou kunnen missen ^ want
op