Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE GRIJSAARD. 45
Ie van mijne Icrijgsroakkers plagten, te nemen, wat ik
grijpen kon, of om arme gevangenen en onschuldige hoe-
ren uit te plunderen, daartoe was mij het hart te wel ge-
plaatst. Ik ging zoo arm uit den dienst, als ik er inge-
komen -was. Maar wars van die woeste leefwijze, ver-
langde ik thans weder naar mijne geboorteplaats, om daar
eene brave vrouw te zoeken cn mijn leven te eindigen.
»Zoo luchtig ik voorheen de wijde wereld instapte,
even zoo opgeruimd en vergenoegd keerde ik thans in ons
stille dorpje terug. Ik had veel beleefd en groote steden
gezien; maar echter kwam mij thans geene plaats aange-
namer voor, dan mijne geboorteplaats. Hier trouwde ik
met een wel arm, maar braaf meisje, met hetwelke ik
twintig jaren vergenoegd en gelukkig geleefd heb. Zij is mij
in de eeuwigheid voorgegaan , en mijne twee dochters zijn
haar derwaarts henen gevolgd. Ik zal haar mede weldra
volgen, en ofschoon het mij op de wereld niet kwalijk
gaat, ben ik echter elk oogenblik bereid tot sterven. Want
al wie steeds welgemoed op de aarde gewandeld heeft, gaat
ook welgemoed naar den hemel."
De heer O... nog naar het eene en andere gevraagd heb-
bende, zeide lot hem: »Gij zegt, goede man, dat gij
geenerlei eigendommen op de wereld hebt. W^el, hebt gij
nooit naar eenigen eigendom verlangd? nooit gewensclitiets
te bezitten ?"
»A''erlangd? ó Jal" antwoordde de oude; »maar het
hoeft mij daarmede nooit willen gelukken. Mijne verdienst
ten reikten zelden verder dan mijne nooddruft; en als ik
iets overgegaard had, vond ik steeds menschen, die het
nog nootliger hadden dan ik. Nu ben ik oud geworden,
en ben al mijn leven lang blijmoedig geweest; terwijl ve-
len^