Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE RIJKE MAX. I'S
slaan. In liet eind kwaraen wij aan. Ik vloog de trap-
pen op; niemand ontmoette mij. Ik rukte de verlichte'
zaal open , en zag mijne vronw in de doodkist."
»Bij deze woorden hield de heer adams met spreken op y
vouwde de handen zamen en scheen in de herinnering van
zijne smarten als verloren. Daarna vervolgde hij: *
»»Ik Zt-rf'niet ondernemen u mijne toenmalige gewaarword
dingen te beschrijven. Mijne smart was nneindig Buiten
kennis was ik nevens de kist nedergevalleh, waarin mijnrf
echtgenoote lagchend lag. Eene hevige koorts greep m^
«an : ik raaskalde verscheidene dagen lang , en de genecS-
heeren gaven mij op. Maar ach! ik had den beker mijn»
lijdens nog niet ledig gedronken , cn keerde tegen alle ver-
vacïiting tot het leven terug."
»»Van dien tijd af aan, beschouwde ik mijn huis,
voorheen de woonplaats der vreugde en des vergenoegens j
als ^ een open graf, hetwelk mijne lievelingen verslonden
had. Waar ik ging, werwaarts ik mijne oogen rigtte,
95ag ik niets dan sporen van verlorene vrienden , dien ik
te vergeefs mijue tranen en zuchten nazond. Maar zelfs
het genot eener weemoedige droeflieid werd mij niet vergund;
want steeds drong zich, in mijne verbeelding de schrik-
verwekkend^ gestalte van olivier tusschen de dierbare
schimmen mijner kinderen en mijuer geliefde echtgenooto.
Wakende en slapende zag ik hem. Hoe menigmalen ben ik
niet, doodelijk beangstigd, van mijn bed opgesprongen ,
als ik hem in den droom zag, hoe hij mijne kinderen ver-
wurgde, of hen in de vlammen van mijn brandend huis
stortte, of mij bij de keel greep, eischende zijn vermogen
terug ] hetwelk hij zijnen wettigen eigendom noemde."
C 2 »»Do-