Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
34 DE RIJKE MAN*.
»»Bit l^rîgt wierp mij in dit 0»)geriMît gehéel ter neder»-
Ik voedde niet de geringste hoop op de i'edding mijner kin-i
deren, en bragt het gevaar , wnarin zij zich bevonden j,
met hel rampzalige lot van OLiviEHin een droevig verband,:
Hetgeen ik nog nooit te voren bedacht had, stond mij ia
dit vreesselijke oogenblik levendig voor den geest: » Giji
zijt, dus sprak ik tot mij zeiven, gij zijt de odrznak vau
olivier's misdaden en dood. Gij hebt bezit genomen vaut
het vermogen, dat hem toekvvam ; gij bezit lietzelve , om-
dat gij geen enkel woord voor hem gesproken , en niet
getracht hebt zijuen oom met hem te verzoenen. , Nu ^
terwijl deze ongelukkige , dien de vertwijfeling uit zijn
Taderland dreefj de straf voor eene misdaad ondergaat,
waartoe zijne armoede hem bragt, lijdt gij in den angst
voor uwe kinderen dubbel den dood, en boet voor de
zorgeloosheid, waarmede gij het onheil van den onlerfdéa
beschouwd hebt."
« »Ijf, had geen gerust oogenblik meer in Engeland; ik
moest naar huis, en gelukkig vond ik een schip, gereed
om uit te loopen. Mijne onrust vergezelde mij op den
overtogt, en steeds stonden mij mijne zieke kinderen voot
pogen. Ach! ik zoude hen niet weder zien! Terwij! ik
op zee dobberde , sluimerden de lievelingen mijns harten
reeds in de ingewanden der aarde."
»»Naauw-elijks aau land gekomen, ijlde ik naar mijn
buiteng,;ed. Üe nacht viel, iu voor mijne aankomst, en
ik zag van verre een gedeelte vau mijn liuis sterk verlicht;
in de donkere kamei-s zweefden somwijlen lichten heen en
\yeder< Mijne ongerustlieid ging alle beschrijving te boven,
en hoe suel ik ook reed, scheen mij de wagen stil te
staan.