Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
3a DE RIJKE MAN.
zat en mijne kinderen op mijne knien speelden, verbeeldde
ik mij eene wereld aan mijne voeten te zien, en beschouw-
de mij zeiven als haren beheerscher. Maar het gelukkig lot,
hetwelk de hemel mij beschikte, deed mij de oogen van den
hemel afwenden, en ik vergat schier de onbestendigheid
van alle menschelijke bezittingen. Ach! toen eerst, nadat
ik derzelver beste gedeelte verloren had, dacht ik weder
aan God, en mijn beklemd hart zocht Hem, dien ik in
mijnen voorspoed vergeten had. Gij ziet mijne ellende,"
voegde hij er bij, «en echter is hetgeen gij ziet, slechts
een gedeelte van dezelve."''
» Toen de heer adams mij dit verhaalde, lag hij in eene
kleine kamer van zijn buitenverblijf, waar geen zonne-
straal indrong, op een ledekant, welks gordijnen slechts
zelden geopend werden. Eene ongeneeslijke jicht had schier
al zijne ledematen aangegrepen, en zijne oogen derwijze
aangetast, dat hem dikwijls de flaauwste schemering van
het licht onverdragelijk viel. De geringste beweging ver-
oorzaakte hem pijn. Zelden nam hij bezoek aan, en zijne
zuster, die haren man verloren had, was de eenigste, die
hij in zijne kamer dulden kon, en die hem oppaste. Zijn
huis was als uitgestorven; waar men tevoren slechts enkel
gejuich plagt te hooren, hoorde men nu alleen de grieven-
de zuchten van eenen ongeneeslijken zieken."
}) De heer adams had toen juist eenige verdragelijke
oogenblikken. Ziende, dat zijn toestand mij trof, drukte
hij mij de hand en zeide: »ik wil mijn geheel hart voor
u openleggen. Gij neemt deel in mijnen ongelukkigen toe-
stand, en ik gevoel mij verligt, als ik mijn verdriet aan
een deelnemend hart mededeelen kan."
pNa eene kleine tusschenpoos voer hij aldus voort:
» )) Zes